|
'Wees niet bang'
Interview, Trouw, 01-08-11
In de rubriek ‘De Zin Van’ kozen
bekende en minder bekende
Nederlanders de afgelopen jaren hun
persoonlijke motto, leefregel of ultiem
inspirerende zin. In de maand
augustus laten we nog vijf mensen aan
het woord. Frank Bosman (1978) is
cultuurtheoloog en werd uitgeroepen
tot ‘meest spraakmakende theoloog’ tijdens de onlangs voor het eerst
gehouden Nacht van de Theologie.
‘Samen met duizenden jongeren
stond ik als achttienjarige
op het Hippodrome in Parijs.
We woonden de Wereldjongerendagen
van de rooms-katholieke
kerk bij. Met een groep priesters in
opleiding waren we op roepingsris.
We moesten ontdekken of wij wel
echt het ambt wilden gaan bekleden.
Die avond sprak paus Johannes
Paulus II – inmiddels zalig verklaard – over de toekomst. Het was 1997,
dus we hikten tegen de millenniumbug
aan, allerlei doemscenario’s deden
de ronde. Maar de paus zei: “Wees niet bang.” En niet één keer,
maar hij bleef het herhalen, als een
mantra. Het lijkt alsof rampen om
ons heen toenemen, en het christendom
langzaam wegkwijnt, zei
hij, maar de kerk en het getuigenis
van Jezus Christus blijft bestaan.
Dat maakte enorm veel indruk op
me. Ook al ben ik uiteindelijk geen
priester geworden.
Ook Jezus zegt het heel vaak, in de
Bijbel. En als de vrouwen op Paasochtend
bij het lege graf van Jezus aankomen,
zegt een engel: “Wees niet
bang, maar vertel het de anderen!”
Deze zin betrek ik op mijn hele leven.
Ik raak niet in paniek wanneer
een route die ik heb uitgestippeld
doodloopt. Ik ben opgegroeid in een
devoot katholiek gezin, in de laatste
jaren van wat het rijke roomse leven
heette. Het was al vroeg voor iedereen
duidelijk dat ik priester zou
worden, en ik was een heel eind op
weg. Totdat ik op mijn negentiende
mijn grote liefde ontmoette.
Het leven is niet te regisseren. Dat
betekent niet dat je als een fatalistische
vrijbuiter door het leven moet
gaan – je hebt nog steeds verantwoordelijkheden.
Maar als ik linksaf
wil, betekent dat niet dat linksaf de
enige goede weg is. Zo wil ik bijvoorbeeld
graag promoveren, hoogleraar
worden. Maar als ik morgen bij Petrus
sta en mijn leven op aarde voorbij
is, dan is het ook goed.
Op mijn protestantse middelbare
school werd ik gepest. Gek genoeg
hield dat op toen ik vertelde dat ik
priester wilde worden. Als je een onvanzelfsprekende
keuze maakt, maar je maakt hem met je hart, levert
dat respect op. Sindsdien ben ik
nooit bang een tegendraadsemening
te verkondigen. Of in discussies de
kant met de minste medestanders te
kiezen. Sterker, dat doe ik graag.
Om voor mijn geloof uit te komen
is moed vereist. Dat is niet bepaald
makkelijk in deze tijd, uitleggen
waarom je katholiek bent. Alleen al
omde ‘pr-technische problemen’ van
de rooms-katholieke kerk. Van oudsher
wordt een hoge seksuele moraal
gepredikt. Als je dan juist op dat vlak
zelf verschrikkelijk nat gaat, is de
verontwaardiging des te groter.
Ik wil geen cynische bromtol zijn,
maar zeker ook geen talibankatholiek.
Het is te makkelijk om de kerk
alleen maar af te kraken. Maar wat
een talibankatholiek doet, zich
voortdurend aangevallen voelen en
van zich afbijten, daar houd ik me
verre van. Ik wil de goede dingen laten
zien die in naam van de kerk gedaan
zijn, de zachte, spirituele kant.
Zonder blind te zijn voor wat de kerk
misdaan heeft.
Als jonge academicus word ik wel
eens uitgelachen omdat ik in iets geloof
dat ik niet kan bewijzen, een
hersenschim najaag. Ik krijg dan de
vraag: “Waarom geloof je nog? Je
bent zo’n slimme jongen!” Daarnaast
word je medeverantwoordelijk gehouden
voor de misstappen van de
kerk, van kruisridders tot seksueel
misbruik. Elke katholiek krijgt hiermee
te maken, en ik moedig ze aan
voor hun geloof uit te blijven komen.
Net als de discipelen, die na Jezus’
dood vreesden voor hun eigen leven
en zich daarom verstopten. Na Pinksteren
gingen zij toch de wereld in
met hun boodschap. Als je altijd
bang bent, kom je nergens.
Niet-bang-zijn kun je ook te ver
doortrekken. Aristoteles leert dat de
deugd altijd in het midden ligt. De
ware liefde ligt tussen een liefde die
zichzelf helemaal wegcijfert en een
liefde die alleen gericht is op zichzelf.
En afgewogen voorzichtigheid
ligt ergens tussen jezelf angstig
afsluiten van de buitenwereld en
onnadenkendheid.
Ik kan een flapuit zijn. Als ik mensen
daardoor kwets probeer ik daar
de volgende keer op te letten. Zo
groei ik als mens. Toch wil ik altijd
kunnen staan achter wat ik zeg. Als
ik iemand een talibankatholiek
noem, dan heb ik daar echt wel over
nagedacht. Ik gooi daarmee niet direct
de deur naar die persoon toe
dicht. We kunnen daarna nog steeds
een biertje drinken en het ontzettend
gezellig hebben.
Ik ben niet bang uitgevallen, maar
natuurlijk heb ik mijn angsten. Dat
ik de liefde vanmijn leven kwijtraak,
bijvoorbeeld. Soms droom ik ’s
nachts dat ik aan het graf van mijn
vrouw sta. Dan word ik erg onrustig
wakker, kan ik je vertellen. Een andere
angst is dat ik er na mijn dood
achterkom dat het leven daar ophoudt.
Dan heb ik mijn hele leven in
dienst gesteld van een God die niet
blijkt te bestaan. Dat zou ik erg jammer
vinden. Hoewel, als er hierna
niets meer is, merk ik daar natuurlijk
niets meer van. Dan heb ik alsnog
eenmooi en gevuld leven gehad,
met een duidelijke missie. Misschien is dat dan nog niet eens zo slecht geweest.”
Bron: Dit interview is gepubliceerd in Trouw.
...
|