|
Jesus Christ Superstar
Column, Kroniek, 13-06-06
Op 31 maart bezocht kardinaal Simonis de Nederlandstalige productie van de wereldberoemde jaren zeventig rockopera Jesus Christ Superstar. Ondanks het feit dat hij geen fan is van het genre, was de kardinaal overwegend positief gestemd. Maar hij had ook vragen.
Ik ben een enorme fan – zowel als theoloog als kunstminnaar – van films en toneelstukken over Jezus, en JCSS heeft een bijzonder plekje in mijn hart. De musical deed indertijd nogal wat stof opwaaien, maar na The Last Temptation of Christ en The Passion of the Christ verwachtte ik niet dat de nieuwe Nederlandse vertaling van JCSS bij mij nog enige andere beroering zou kunnen veroorzaken dan de vreugde van herkenning. Maar het weerzien pakte anders uit: net als de kardinaal bleef ik met vragen zitten.
Er valt veel positiefs te melden over deze JCSS: prachtige vertolkingen van de rollen van Maria Magdalena en Judas, een goede, moderne en strakke Nederlandse vertaling, adequate knipogen naar de politieke actualiteit. Maar een aantal andere keuzes van de Nederlandse regisseur is minder eenduidig positief.
Het begint al met het decor, dat bij alle scènes rond Pilatus en de Hoge Raad gedomineerd wordt door een groot ijzeren, modern vormgegeven doornenkruis van Davidssterren. De associatie tussen de historische dood van Jezus met het hedendaags jodendom wordt echter nog sterker bij de kruisigingsscène. Terwijl de Romeinse soldaten Jezus aan het kruis nagelen, staat een aantal acteurs op de achtergrond te bidden. Met de rug naar het publiek bewegen zij snel op en neer, terwijl zij semitisch klinkende klanken uitstoten. Ze wenden zich af van de verschrikkingen van de kruisiging en bidden tot God om zichzelf moreel vrij te pleiten.
Zowel de Davidsster als de bewegingen en klanken zij een niet mis te verstane verwijzing naar het moderne jodendom. Immers: de Davidsster wordt pas sinds het midden van de vorige eeuw gebruikt als symbool voor het (levensgevaarlijk bedreigde) joodse volk. En de manier van bidden die we nu 'orthodox joods noemen' is pas anderhalve eeuw oud. Een mogelijke positieve interpretatie van deze 'actualisering' zou kunnen zijn dat de regie van de musical de lijdende Jezus wil laten zien in continuïteit met het lijdende joodse volk, waar hij tenslotte deel van uit maakt. Ik denk echter dat een veel negatievere interpretatie waarschijnlijker is: een schijnbaar onuitroeibaar (drog)beeld dat de joden – ook de moderne – schuldig zijn aan Jezus’ dood. Ik denk niet dat de regisseur dit expliciet heeft willen uitdragen, maar hij had wel de gevoeligheid moeten hebben juist deze associatie niet te willen oproepen.
Bron: Kroniek, 2-2006
...
|